(On)gewenste geuren?
Door Anja van de Poppe
Enige tijd geleden las ik tussen al het andere nieuwsgeweld een opmerkelijk bericht in de krant.
Een echtpaar uit het Italiaanse Monfalcone was veroordeeld tot het betalen van een forse boete wegens het plegen van ‘reukgeweld’. Ja, u leest het goed. Het hooggerechtshof in Rome heeft namelijk bepaald dat het verspreiden van indringende kookluchtjes een misdrijf is. De buren van het kokkerellende paar hadden steen en been geklaagd over de doordringende geur van fritti misti (gefrituurde vis) die onophoudelijk in het appartementencomplex hing en die terug te voeren was op de onverzadigbare kooklust van het stel.
Dit geval schijnt overigens niet op zichzelf te staan, want een specialist in Italiaanse burenruzies (een soort van rijdende rechter) liet in La Republica weten dat conflicten over etensgeuren aan de orde van de dag zijn. De gastvrije Italiaanse keuken is niet meer wat het geweest is, zoveel is wel duidelijk.
Door het verhaal kwamen ook oude jeugdherinneringen boven drijven. Onze buurman had de vaste
gewoonte om op zaterdagmiddag vis te bakken. De hele nieuwbouwbuurt kon daarvan meegenieten.
Vanwege de hardnekkige baklucht en de ‘zooi’ had zijn vrouw hem nadrukkelijk verboden om dat in de
keuken te doen. Dus had hij zich noodgedwongen met een petroleumstelletje in de schuur teruggetrokken. Met een biertje in de ene hand en een bakspatel in de andere, muziekje op de achtergrond, jongleerde hij daar onder luid gejoel de ene na de ander vis de pan in. Als buurkinderen dromden we wat om hem heen, want het was reuzegezellig in dat schuurtje en er viel ook altijd wel wat te halen of te bikken!
Nog altijd associeer ik de geur van gebakken vis met vrije zaterdagen, met het goede leven, met wat gezellig rondhangen, een wit wijntje of biertje (want vis moet zwemmen) in de hand. En, toeval bestaat niet, 50 jaar later bakt mijn echtgenoot geregeld op zaterdagavond een visje dat we ‘s morgens op de markt hebben gehaald. En naderhand boen ik het fornuis schoon tegen denkbeeldige nare luchtjes.
Nu schijnt het zo te zijn dat vrouwen gevoeliger zijn voor geuren dan mannen. Maar niemand laat geuren
koud. Zelfs het humeur van de goden schijn je er mee te kunnen beïnvloeden.
In de Bijbelboeken Exodus en Leviticus wordt bijvoorbeeld beschreven hoe de priesters dagelijks reukoffers bereiden voor de Allerhoogste. Dat gebeurde op een met goud overtrokken altaar in het Heilige der Heilige. Maar we hoeven echt niet terug te gaan naar oud-Israëlische plaatsen en tijden om de
symbolische waarde en betekenis van ‘goddelijke’ geuren (zoals mirre en wierook) te kunnen begrijpen en wellicht nog beter op te kunnen snuiven.
Tegen het ‘bewieroken’ van overledenen of iconen in de katholieke en oosters orthodoxe traditie wordt soms wat vreemd opgekeken of er wordt wat besmuikt over gesproken. Maar wanneer bij een ‘hippe’ yoga- of meditatie bijeenkomst een wierookstokje wordt aangestoken, de klankschaal wordt aangeslagen en ‘ohm’ gereciteerd is er geen haan die daar naar kraait. Integendeel, dat hoort dan bij de ‘totaalervaring’.
Die totaalervaring zijn wij als vrijzinnigen van (overwegend) protestantse komaf helaas kwijtgeraakt. In onze kerkdiensten wordt er vrijwel uitsluitend een beroep gedaan op ons gehoor en ons gezichtsvermogen. Reuk, maar ook tastzin en smaak (denk aan de viering van de eucharistie of het Avondmaal) zijn ondergeschoven kindjes. Of het moest het King pepermuntje van vroeger zijn voorafgaand aan de preek, of de koffie van nu standaard na de dienst.
Wat denkt u ervan? Zullen we in onze diensten en vieringen ook niet eens wat meer onze reukorganen
prikkelen? Of bent u daarvoor allergisch en/of trekt u daarvoor uw neus op? Ik verneem het graag.
Allen een mooie zomer gewenst en hopelijk tot ziens op 30 juli in de kerk voor een voorstelling over de enige echte Godfried Bomans!
P.S. Ik ben afwezig i.v.m. vakantie van 20 /m 26 juli en van 10 t/m 16 aug.
