Christus als hovenier
Geschreven door Karin Janze
Zij dacht dat het de hovenier was. Joh. 20:15
Eén Rembrandt kende als kind ik goed: de Christus met de grote hoed wandelend in de ochtendstond. En, naar erbij geschreven stond: Hij was een hovenier.
En nóg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan
en – wat terzijde – in stille schrik die éne
zij die dacht als ik
Het was de hovenier.
O kinderdroom van groen en goud
géén die ontnam wat ik behoud
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier
Hij is de hovenier.
Ida Gerhardt (1905 1997)
Dit gedicht roept Ida Gerhardt op via een schilderij van Rembrandt uit 1638. Het lijkt erop dat zij uit haar kinderherinnering dit gedicht schrijft en niet het schilderij erbij heeft bij het schrijven van dit gedicht. Zij neemt de rol aan van Maria Magdalena.
De titel van het gedicht is niet helemaal een letterlijk citaat is. Ook klopt de beschrijving van de afbeelding niet precies. De houding van Jezus is niet die van een wandelaar; de titel van het schilderij luidt: ‘De verrezen Christus verschijnt aan Maria Magdalena’ en niet ‘Hij was een hovenier’; en Maria Magdalena staat niet ‘wat terzijde’, maar zit geknield centraal tussen Jezus en het open graf in. Misschien is de afbeelding in de herinnering vervormd, maar waarschijnlijker is dat Gerhardt de afbeelding in haar beschrijving aanpast aan wat zij wil zeggen.
De eerste strofe vertelt de herinnering aan het schilderij uit haar jeugd. De tweede strofe speelt in het nu met de reactie van de volwassen dichteres op het schilderij. In de laatste strofe komen verleden en heden samen: zij behoudt de kinderdroom. Maar ook de toekomst klinkt mee, want in verhullende beelden wordt het levenseinde opgeroepen (‘De laatste hoven naderen schier/ en ijler wordt de ochtend hier.’). Ze houdt van het schilderij uit haar jeugd.
Zij ziet zichzelf daarin in de rol van Maria Magdalena, die op haar beurt haar Heer herkent. Zijn opdracht geeft haar leven richting. De dichteres ervaart dat als een constante in haar leven, iets waar zij zich aan vast kan houden, al zijn er misschien wel pogingen gedaan dat van haar af te nemen: ‘géén die ontnam wat ik behoud.’ In deze regel wordt misschien gezinspeeld op het vervolg van het bijbelverhaal, waar Jezus tot Maria Magdalena zegt dat zij Hem niet vast moet houden, maar zijn boodschap aan zijn leerlingen moet gaan vertellen.
Op het eerste gezicht lijkt de laatste refreinregel paradoxaal. Jezus léék toch slechts de hovenier? En hier staat als een soort conclusie van het gedicht dat Hij de hovenier ís. Gerhardt erkent Christus als de hovenier van haar hoven, als degene die in haar leven zaait en snoeit en verwarde ranken richting geeft. In ‘Christus als hovenier’ is de suggestie te lezen dat zij zich ook in de dood – die overigens pas 36 jaar later zou komen – aan hem durft toevertrouwen.
Het zijn wonderlijke verhalen rond Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. Hoe we die op willen vatten en wat we eruit kunnen leren is voor mij een steeds wisselend beeld.
