Jaarringen
Door Anja van de Poppe
Op mijn bureau ligt de dichtbundel ‘We moeten ‘misschien’ blijven denken’ van Esther Jansma. Nu de week van de poëzie nadert (29 januari tot en met 4 februari) heb ik me voorgenomen om deze gedichten in alle rust tot me te nemen. Want zo gaat dat met poëzie, je moet erop kauwen en herkauwen en vooral geen haast hebben. Dat valt nog niet mee in deze hectische tijden, waar van alles gebeurt en over elkaar rolt.
Deze dichtbundel is de laatste van Jansma; vorig jaar overleed ze aan kanker. De titel van de bundel zou een uitspraak van haar oncoloog kunnen zijn. Je ziet het zo voor je: patiënt bij de specialist in de spreekkamer. En dan zo’n aarzelende uitspraak van de dokter, ‘we moeten maar ‘misschien’ blijven denken’. Een strootje hoop.
Naast dichter was Jansma dendrochronoloog. Dat is iemand die zich gespecialiseerd heeft in het dateren van hout aan de hand van de jaarringen. RemembeRINGs noemt ze die met een mooie woordspeling.
In een interview vertelt ze dat houtonderzoek haar een idioot gevoel van zekerheid geeft. “Ik kan zeggen: deze boom is omgehakt in de winter van 124 op 125 na Christus. Zo’n precieze datering van iets dat zo lang gelden gebeurde, botst natuurlijk totaal met hoe weinig we weten over onszelf, over onze ouders, en grootouders.” En daarom probeert ze dat terrein van haar leven ook in kaart te brengen. Met poëzie,
waarmee anders? Want poëzie is de taal van het zoeken, het aftasten. Geen enkele zekerheid, maar altijd een ‘misschien’.
Over RemembeRINGs gesproken: een kenner van bomen kan dus aan de jaarringen aflezen hoe de achtereenvolgende jaren zijn geweest. Een brede ring wijst op een goed groeiseizoen met voldoende water en zonlicht. Smalle ringen daarentegen duiden op slechtere groeiomstandigheden, op plagen of concurrentie van ander bomen. Bomen zijn net als mensen, die ook zo hun goede en slechte jaren kunnen hebben. Ook branden of andere rampen kunnen hun sporen nalaten in de jaarringen, net zoals
traumatische gebeurtenissen bij mensen. We lijken uit hetzelfde hout gesneden.
Hoe zal het jaar onzes Heren 2026 voor ons, mensen en bomen, uitvallen? Wat zal daar ooit van terug te lezen zijn in onze jaarringen? Ik houd eerlijk gezegd mijn hart vast met zoveel ongunstige voortekenen.
Met de jaren dijen bomen uit. Ze worden groter en zwaarder. Hun stam neemt in massa toe en de uitwaaierende takken reiken steeds breder en hoger. Dat ‘uitdijen’ geldt in lijfelijke zin ook voor de meeste mensen, of laat ik maar voor mezelf spreken. Maar hoe zit dat mentaal? Worden we met de jaren ook zwaarder, groter en rijper in onze gedachten en gevoelens? Mensen van (innerlijk) gewicht, die een hele vracht aan levenservaring met zich meedragen?
Ik herinner me een gesprek met een oude dame die juist het tegenovergestelde beweerde. “Met het verglijden van de jaren word ik steeds lichter”, sprak ze. En dat bedoelde ze niet fysiek, al zou haar steeds tenger wordende gestalte dat wel kunnen suggereren. “Alle ballast van vroeger jaren valt van me af. Ik voel me een ui waarvan langzaam maar zeker alle schillen worden afgepeld tot er niets meer overblijft. En het vreemde is dat ik dat niet ervaar als verlies, maar juist als bevrijding!”
Die kilootjes overgewicht neem ik maar voor lief. Geen goede voornemens wat dat betreft voor 2026. Wél hoop ik dat het leven voor ons allemaal wat ‘lichter’ wordt in het komende jaar.
Laat de lente maar komen!
